Inhoudelijke toelichting

Rekenprogramma REM ('Ruw Eiwit en Mestkosten')

- Effect van minder Ureum, minder RE op mestafzet en bijbehorende mestkosten –

klik op een onderdeel om het onderwerp open te klappen.

Rekenprogramma dat de besparing op mest(afzet)kosten berekent door lager Re-gehalte in het rantsoen, maar als alternatief ook de besparing op (mestafzet)kosten berekent door lager ureumgehalte in tankmelk. Minder mestafzet door lagere stikstofexcretie betekent ook tot dat bespaard kan worden op aankoop van kunstmest fosfaat en -kali. Maar de kosten voor mestuitrijden gaan wel omhoog.

Overigens, de berekening geeft vooral een goede indicatie voor de normen en rekenwijze van 2025.

- Inzicht geven in besparing op (mestafzet)kosten door lager RE-gehalte in het rantsoen van de melkveestapel, zowel bij een standaard ongewijzigd N-gehalte in de mest als bij een N-gehalte in de mest dat afhankelijk is van het RE-gehalte in de mest. -> Dit is geldig als het melkveebedrijf de mestafzet bepaalt via BEX.

- Inzicht geven in de besparing op (mestafzet)kosten als het bedrijf niet met BEX werkt, maar het ureumgehalte in tankmelk verlaagt om op mestafzet te besparen.

In het project Koe en Eiwit wordt gewerkt naar een RE-gehalte in het totale melkveerantsoen van 155 g/kg ds. Dit is in het algemeen lager dan gangbaar is in de praktijk. Het idee hierachter is dat de ammoniakemissie daalt door minder RE in het rantsoen te hebben. De ammoniakemissie zal dalen als de hoeveelheid uitgescheden stikstof met mest daalt. Met minder RE in het rantsoen zal de stikstofuitscheiding in de mest dalen (de N-excretie dus). Minder stikstof in de uitgescheiden mest, leidt in principe ook tot besparing op mestafzet, want er wordt minder geproduceerd, terwijl de plaatsingsruimte hierdoor niet verandert.

Met dit rekenprogramma, REM (Ruw Eiwit en Mestkosten), krijgt de gebruiker inzicht in de besparing op de mestafzet en bijbehorende kosten (kunstmestbesparing en extra kosten voor uitrijden mest). De besparing op mestafzetkosten zal het grootst zijn als met BEX wordt gewerkt en niet via ‘ureum’.

Tegelijkertijd weten we dat minder eiwit voeren, leidt tot een lager stikstofgehalte in de mest. En dat is weer lastig in het kader van de mestafzet. Want de veehouder betaalt per ton mest, terwijl stikstof (en fosfaat) afgevoerd moet worden. Dus als het N-gehalte van de mest omlaag gaat, moeten er weer meer tonnen mest afgezet worden voor dezelfde hoeveelheid stikstof. De invloed van een lager N-gehalte in de mest wordt in het rekenprogramma ook meegenomen.

We weten dat minder eiwit voeren leidt tot minder stikstofexcretie, maar het exacte verband (in getallen) was niet bekend voordat deze studie uitgevoerd is. Daarom is een grote dataset met alle KringloopWijzers van 2023 geanalyseerd, met toestemming van ZuivelNL. Een analyse is uitgevoerd om de belangrijkste parameters te ontdekken die invloed hebben op de stikstofexcretie per koe. Dit bleken drie parameters te zijn. Namelijk de melkproductie per koe per jaar, het aantal stuks jongvee per 10 melkkoeien en het RE-gehalte van het totale rantsoen. Dat betekent dat er een directie relatie is van het RE-gehalte in het rantsoen met de stikstofexcretie. Vanuit de dataset van alle KringloopWijzer van 2023 is een regressieformule gemaakt met een R2 va 0.89. Dat betekent dat de formule 89% van alle variatie verklaart. Dus een behoorlijk goed voorspelling van de netto N-excretie per koe met die parameters. En in ieder geval een sterke afhankelijkheid met het RE-gehalte in het rantsoen.

De formule: N-excretie per koe = -103 + 1,13*RE + 4,35*jv/10mk + 0,0045*melk/koe

(om vervolgens de N-excretie voor het jaar 2025 te berekenen is het rekenresultaat met 4.7% verlaagd, omdat de gasvormige emissie tussen bruto en netto excretie gemiddeld 4.7 % verhoogd is in 2025)

Met de ontwikkelde formule is de N-excretie per koe te bepalen, als de melkproductie per koe, het aantal stuks jongvee per 10 melkkoeien en het RE-gehalte in het rantsoen bekend is.

De mestproductie op bedrijfsniveau is te berekenen als het aantal koeien ook bekend is. De mestafzet is weer te bepalen als de oppervlakte land die bij het bedrijf hoort, ook bekend is. Waarbij het uitgangspunt is dat er maximaal 170 kg dierlijke stikstof per ha geplaatst kan worden. (Dit werkt alleen op deze manier als de mestafzet via BEX wordt bepaald).

Een lager RE-gehalte in het rantsoen heeft invloed op de stikstofexcretie met mest. Elke gram RE minder in het rantsoen leidt tot 1.18 kg minder stikstof uitscheiding in de mest per koe (inclusief jongvee). Dus in het rekenprogramma wordt ook gevraagd hoeveel het RE-gehalte van het rantsoen daalt.

De mestafzetprijs is nodig om de kosten van mestafzet te bepalen en de besparing op de kosten van de mestafzet.

Daarnaast spelen kosten voor mest toedienen en kosten voor kunstmestfosfaat en kalikunstmest een rol om het totale economische effect te bepalen. Immers als meer drijfmest aangewend mag worden op het eigen bedrijf blijft er ook meer fosfaat en kali op het bedrijf.

Minder Re in het rantsoen leidt tot minder stikstofexcretie en uiteindelijk tot minder mestafzet. Zonder derogatie is de plaatsingsruimte van de mest 170 kg dierlijke N per ha. Het programma REM (Ruw Eiwit en Mestkosten) rekent de mestafzetkosten per ha uit bij het basis RE-gehalte in het rantsoen. Vervolgens ook de mestafzetkosten per ha bij het lager RE-gehalte in het rantsoen. Dit wordt eerst gedaan bij een standaardstikstofgehalte in de mest, zoals dat verondersteld is bij 165 g RE in het rantsoen, namelijk er wordt uitgegaan van een gehalte van 4 kg N / ton mest. Bij minder RE in het rantsoen daalt de excretie en dus ook de mestafzet per ha. Dit wordt eerst ook gedaan bij het standaard N-gehalte in de mest. De besparing in mestafzetkosten (per ha) is dan het verschil in mestafzetkosten bij de verschillende RE-gehalten in het rantsoen. (Bij deze werkwijze (met zelfde N-gehalte in de mest) is de veronderstelling dat de veehouder via boer-boer transport zijn mest afzet, of dat de veehouder de ‘putten’ met hogere N-gehalten in de mest kan onderscheiden.)

Om de besparing van de mestafzetkosten van het hele bedrijf te bepalen, wordt nog vermenigvuldigd met het totaal aantal ha’s.

Het rekenprogramma REM (Ruw Eiwit en Mestkosten) geeft ook het resultaat weer van de berekening als het N-gehalte niet standaard is, maar afhankelijk van het RE-gehalte in het rantsoen. Bij een lager RE-gehalte in het rantsoen, daalt ook het N-gehalte in de mest. Hierdoor kunnen meer tonnen mest op het eigen land worden aangewend, maar zijn meer tonnen mest nodig om de gewenste hoeveelheid stikstof af te voeren als bij een hoger RE-gehalte in het rantsoen. Per saldo zijn er nog steeds minder kosten voor mestafzet, maar een deel wordt teniet gedaan door lager N-gehalte van de mest.

Ja, waarschijnlijk wel. Want door minder mestafzet kan er meer mest op het bedrijf blijven (niet meer N, maar wel meer tonnen). Die extra tonnen mest moeten dan wel uitgereden worden en dat brengt ook kosten met zich mee. Dat zijn de extra tonnen mest * het tarief voor mestuitrijden.

Daarnaast is er nog de mogelijkheid om te besparen op kunstmestkosten.

Meer mest op het bedrijf houden betekent niet meer stikstof, maar wel extra fosfaat en extra kali. Deze extra fosfaat en kali hoeft dan niet aangekocht te worden met kunstmest. Via de tonnen extra mest die op het bedrijf kan blijven * het gehalte van fosfaat of kali * de prijs van fosfaat- of kalikunstmest leidt tot de besparing van kunstmestkosten.
Per saldo kan minder RE in het rantsoen leiden tot minder kosten voor mestafzet (al dan niet beinvloed door een verlaagd N-gehalte van de mest), minder kosten voor kunstmest, maar wel extra kosten voor toedienen van mest.

Niet alle melkveehouders gebruiken BEX om hun mestafzet te bepalen. Dit kan verschillende achtergronden hebben. Misschien is BEX te complex of leidt gebruik van BEX niet tot een lagere mestafzet. (Wel is het zo dat BEX aantrekkelijker wordt naarmate het RE-gehalte van de mest lager wordt.)

Als niet met BEX gewerkt wordt, moet de veehouder rekenen met de forfaitaire tabel (RVO, tabel 6, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2026-01/Tabel-6-Stikstof-en-fosfaat-per-melkkoe-2025.pdf). Dan is de stikstofexcretie per koe afhankelijk van de melkproductie per koe en het ureumgehalte van de tankmelk. Het rekenprogramma REM (Ruw Eiwit en Mestkosten) kan ook de mestafzet berekenen als gewerkt wordt met de forfaitaire tabel. Ook het effect van een lager ureum in tankmelk kan berekend worden. Dat gebeurt in het tabblad ‘rekenen via forfait’. Ook de invloed van een lager RE-gehalte in het rantsoen op het N-gehalte van de mest kan meegenomen worden.

NB: het rekenprogramma is niet bedoeld om af te wegen of rekenen met forfait gunstiger is dan rekenen met BEX.

Daarnaast gelden ook weer extra kosten voor mestuitrijden en besparing van kunstmestkosten voor fosfaat en kali.

Mestafzet bepalen via BEX

  • Oppervlakte bedrijf (ha) -> nodig om de mestafzet en kunstmestbesparing op bedrijfsniveau te bepalen
  • Aantal melkkoeien (#) -> nodig om de mestproductie / excretie totaal te bepalen
  • Melkproductie per koe (kg/jaar) -> nodig om de N- excretie per koe te bepalen
  • Stuks jongvee per 10 melkkoeien (#) -> nodig om de N- excretie per koe te bepalen
  • Re - gehalte rantsoen (g/kg ds) -> nodig om de N- excretie per koe te bepalen
  • Daling Re - gehalte rantsoen (g/kg ds) -> nodig om de N- excretie per koe te bepalen bij minder RE in het rantsoen
  • Mestafzetprijs (€/ton) -> nodig om de kosten voor mestafzet te bepalen
  • Prijs mesttoedienen (€/ton) -> nodig om de extra kosten voor mesttoedienen te bepalen
  • Standaard N-gehalte mest -> N-gehalte mest bij 165 RE, nodig om de tonnen mestafzet bij boer-boer transport te bepalen of bij onveranderd N-gehalte in de mest bij minder RE in rantsoen.
  • Plaatsingsruimte N (kg / ha) -> nodig om de tonnen mestafzet te bepalen
  • Fosfaatgehalte mest (kg / ton) -> nodig om de besparing van kunstmest fosfaat te bepalen
  • Kaligehalte mest (kg/ton) -> nodig om de besparing van kunstmest kali te bepalen
  • Prijs fosfaatkunstmest (€/kg fosfaat) -> nodig om de besparing van kosten voor fosfaat kunstmest te bepalen
  • Prijs kalikunstmest (€/kg kali) -> nodig om de besparing van kosten voor kali kunstmest te bepalen


Mestafzet bepalen via forfaitaire excretie (tabel 6 bij RVO)

  • Oppervlakte bedrijf (ha) -> nodig om de mestafzet en kunstmestbesparing op bedrijfsniveau te bepalen
  • Aantal melkkoeien (#) -> nodig om de mestproductie / excretie totaal te bepalen
  • Melkproductie per koe (kg/jaar) -> nodig om de forfaitaire N- excretie per koe via forfait te bepalen
  • Stuks jongvee per 10 melkkoeien (#) -> nodig om de N- excretie via jongvee te bepalen
  • Ureumgehalte melk -> nodig om de forfaitaire N- excretie per koe te bepalen
  • Daling ureumgehalte melk door minder RE -> nodig om de nieuwe forfaitaire N- excretie per koe te bepalen, bij lager ureum in tankmelk
  • Re - gehalte rantsoen -> nodig om de het N-gehalte van de mest te bepalen, als mestafzet afhankelijk moet worden van lager N-gehalte in mest bij minder RE in rantsoen
  • Daling Re - gehalte rantsoen -> nodig om de het N-gehalte van de mest te bepalen bij minder ureum, als mestafzet afhankelijk moet worden van lager N-gehalte in mest bij minder RE in rantsoen
  • Mestafzetprijs (€/ton) -> nodig om de kosten voor mestafzet te bepalen
  • Prijs mesttoedienen (€/ton) -> nodig om de extra kosten voor mesttoedienen te bepalen
  • Standaard N-gehalte mest -> N-gehalte mest bij 165 RE, nodig om de tonnen mestafzet bij boer-boer transport te bepalen of bij onveranderd N-gehalte in de mest bij minder RE in rantsoen.
  • Plaatsingsruimte N (kg / ha) -> nodig om de tonnen mestafzet te bepalen
  • Fosfaatgehalte mest (kg / ton) -> nodig om de besparing van kunstmest fosfaat te bepalen
  • Kaligehalte mest (kg/ton) -> nodig om de besparing van kunstmest kali te bepalen
  • Prijs fosfaatkunstmest (€/kg fosfaat) -> nodig om de besparing van kosten voor fosfaat kunstmest te bepalen
  • Prijs kalikunstmest (€/kg kali) -> nodig om de besparing van kosten voor kali kunstmest te bepalen
De tabbladen 'rekenen via BEX' en 'Rekenen via forfait' geven een aantal tabellen en grafieken. De tabellen geven in getallen weer wat de verschillen zijn door minder eiwit te voeren en/of minder ureum in tankmelk. De tabllen zijn ook uitgelegd in de tabbladen 'uitleg rekenen met BEX' en 'uitleg rekenen via forfait'.